Claire Mouradian

In september 1991, bij het uiteenvallen van het Sovjetrijk, proclameerde Armenië zijn onafhankelijkheid en werd toegelaten tot het concert der naties, waarmee het voor de zoveelste maal zijn vermogen demonstreerde om de successievelijke overheersingen van machtige mogendheden te overleven.
Na een eeuw die zo vol was van totale oorlogen en massamoorden in naam van nationale of sociale utopieën, ondanks een genocide die de helft van het volk vernietigde en de andere helft over de vijf continenten verstrooide, en in weerwil van de inkrimping van het. grondgebied en de onderwerping aan een totalitair regime is de onverzettelijkheid van dit oude volk, dat vaak wordt vergeleken met de joden, paradoxaal. Net als zijn rol, die ondanks de numerieke zwakte ongeëvenaard is, in de geschiedenis en de cultuur, in de rijken waarin het geïntegreerd werd en in de gastlanden in de diaspora.


Armenië, met zijn strategische ligging tussen Europa en Azië, op een kruispunt van handelswegen en aanvalswegen, is het voortdurende slagveld geweest van de grote rijken van het Oosten en het Westen, van tijd tot tijd onderworpen, verwoest, verdeeld, waarbij het evenwicht van de machten de enige garantie vormde voor respijt.
Geografie
In Armenië heeft, misschien nog meer dan elders, de geografie de geschiedenis bepaald en de nationale persoonlijkheid gevormd. Armenië, dat zowel een historisch en cultureel als een geografisch begrip is, versmelt met het hoogland dat dezelfde naam draagt. Het wordt gekarakteriseerd door zijn individualisme, dat in verhouding tot de andere landen van Voor-Azië heel sterk is, en door zijn binnenlandse versnippering.
Het Armeense hoogland, dat met zijn 1500 tot 1800 m hoogte uitsteekt boven de hooglanden van Anatolië en Iran, de Koeravallei in Transkaukasië en het laagland van Mesopotamië, is een bergachtige vesting van ongeveer 300.000 km2 in het oosten van Klein-Azië, tussen de Zwarte en de Kaspische Zee. Het is een groot waterbekken, want naast talrijke bergstromen vinden zeven rivieren, waaronder de Eufraat en de Tigris, die het verbinden met de oude oosterse beschavingen, en de symbolische rivier, de Araks, die de Araratvlakte van water voorziet, er hun oorsprong.
De botsing tussen de Russische en Arabische plateaus heeft het reliëf opgetild en geplooid, waardoor het een sterke bevingsfrequentie heeft. De Pontische Alpen en de Kaukasus in het noorden, de Taurusketen in het zuiden, de Koera in het oosten, de Eufraat en de Antitaurus in het westen vormen de min of meer duidelijke natuurlijke grenzen. Het hoogland, dat in stukken is gedeeld door kleine, dwarslopende bergketens en een bergrug die in een gebroken lijn van zuidwest naar zuid loopt, bevat machtige vulkanische kegelbergen, zoals de Ararat met zijn twee toppen (5172 m en 3842 m), en bergmeren, waarvan er drie een historische rol hebben gespeeld: het bijzonder zoute Oermiameer (4680 km2, op 1230 m hoogte) iets over de zuidgrens met Iran, het Vanmeer (3822 km2, 1692 m), nu in Turkije, en het zoete Sevanmeer (1416 km2, 2000 m), het enige dat zich nog op het huidige grondgebied van de republiek Armenië bevindt. Dit bergachtige eiland wordt doorkruist door twee lengteassen (het Araksbekken en de vlakten van Asjkala-Erzurum-Bayazit-Oermia), de routes van de veroveraars en de handelaren.
Bodem en klimaat - extreem continentaal, met strenge winters en hete zomers - bepalen de plantengroei en de organisatie van de landbouw: op de heuvels schapenteelt met per seizoen wisseling van weidegebieden, op de geïrrigeerde vlakten en in de valleien graan, groenten, wijngaarden en boomgaarden met beroemd fruit als abrikozen of prunus armenicus, kersen, appels, perziken en granaatappels.
Het historische Armenië
Het begrip Armenië is in de loop van de eeuwen veranderd. Het Armeense hoogland en zijn directe omgeving zijn tegenwoordig politiek verdeeld tussen Syrië, Irak, Iran, Turkije en de drie republieken van Transkaukasië: Armenië, Georgië en Azerbaidzjan. De huidige republiek Armenië, de kleinste van de voormalige USSR (29.800 km2), en Nagorno-Karabach (4400 km2), de twee laatste kernen van een homogene en permanente Armeense bevolking, zijn niet meer dan een restant, nauwelijks een tiende van wat de Armeniërs als hun historische nationale grondgebied beschouwen. Dat grondgebied kan, net als het begrip historisch nationaal, niet duidelijk en onweerlegbaar omschreven worden vanwege de onbestendigheid van de staatsgrenzen en het gelijktijdige bestaan van verschillende politieke centra met wisselende autonomie, zelfs ronder staatsvorm, in diverse perioden van een rijk en turbulent verleden.
Het gefragmenteerde gebied heeft namelijk de mogelijkheden tot communicatie, eenheid en onafhankelijkheid beperkt en het hoogland onderverdeeld in verschillende geopolitieke en culturele eenheden die heen en weer geslingerd werden tussen de uiteenlopende invloeden van de grote aangrenzende beschavingen. De verbrokkeling, veroorzaakt door een sterk regionaal particularisme dat wordt geaccentueerd door de sociale clanstructuur, georganiseerd rondom grote dynastieke families, vormt een hindernis bij het creëren van een sterke centrale macht, maar voorkomt wel dat tegelijk met de staat de natie verdwijnt, zoals in gecentraliseerde rijken als Assyrië het geval was.
Het land, dat erg toegankelijk is voor invallen vanuit het westen en vooral vanuit het oosten en dat te zeer versnipperd is om een invasie van twee kanten tegelijk te weerstaan, heeft alleen maar korte, verdeelde en verbrokkelde perioden van onafhankelijkheid gekend. Het over en weer van plaats wisselen van de bevolking en de verstrengeling van de uit oorlogen en veroveringen voortgekomen naties, de vroegtijdige diaspora en vooral de verdwijning ten gevolge van de genocide van 1915 van de Armeniërs uit Oost-Anatolië, het hart van het Armeense ‘land’, waar ze zijn vervangen door de Koerden, maken het afbakenen van het historische Armenië nog ingewikkelder.
Het conglomeraat van grondgebieden dat liep van Cappadocië tot de Kaspische Zee en van Tbilisi tot de oevers van het Oermiameer met aan de oostkust van de Middellandse Zee het excentrische aanhangsel Cilicië, dat op een zeker moment bij de Armeense staat werd gevoegd, schetst een kaart van een Armenië van negentiende-eeuwse nationalisten dat nooit als één staat heeft bestaan. In de moderne tijd is de term Armenië voornamelijk van toepassing op het land tussen het Vanmeer en het Sevanmeer, de bovenlopen van de Moerat Soe, de Eufraat, de Coruh en de Araks, dat door de Turken tot halverwege de negentiende eeuw met Ermenistan werd aangeduid en ongeveer overeenkomt met het Armenië van het Verdrag van Sèvres (augustus 1920).
Het huidige Armenië
De huidige republiek in het noordoosten van het Armeense hoogland is een miniatuur Armenië waar men, vaak in versterkte vorm, de grote fysieke en klimatologische kenmerken van het hele hoogland terugvindt waarvan het nationale bewustzijn doordrenkt is. Het gebergte (hoogste punt: de berg Aragatz (4090 m), wijkplaats en vesting, is onlosmakelijk verbonden met het beeld van het land dat voor 80 procent uit rotsachtige hoogten bestaat en waarvan de bijbelse Ararat het symbool is van het deel uitmaken van de oerwereld en het verloren paradijs: de heilige berg, die het landschap van de hoofdstad Jerevan domineert, ligt nog steeds aan de Turkse kant van de grens.
Het bergland Armenië beschikt nog maar over een deel van de Araratvlakte, de linkeroever van de depressie van de Midden-Araks. De Armeniërs situeren hier de tweede wieg van de mensheid, het land dat door Noach is gekolonialiseerd. Hier hebben ze hun eerste hoofdsteden gevestigd en in het centrum ervan ligt nu Jerevan. Omdat de ruimte zo beperkt is, is de bouwgrond schaars. De woestijn- en steppeachtige gebieden, met bruine, rotsachtige grond, overheersen. Minder dan de helft van de grond kan gebruikt worden voor landbouw, weilanden inbegrepen, maar hij moet vooraf ontsteend en verbeterd worden. De ontbossing, vooral ten tijde van de stalinistische graancampagnes, heeft de bodemerosie versneld. Nog maar 10 procent van het gebied bestaat uit bossen.
Armenië heeft geen grondstoffen en brandstoffen, ondanks de huidige exploratie van bruinkool, steenkool, gas en olie. Non-ferrometalen (koper, zink, lood, kwik, chroom, goud en zilver) en bouwsteengroeven (marmer, basalt, graniet en vooral vulkanische tufsteen, waarvan de Armeense architecten de goede bewerkbaarheid en de verscheidenheid aan kleuren hebben weten uit te buiten) vormen, met minerale bronnen (Arzni, Dzjermoek), de voornaamste rijkdommen. De middelen van bestaan en de natuurlijke omstandigheden, maar ook het Sovjetbeleid op het gebied van ruimtelijke ordening, bepalen de configuratie van de economische gebieden, die we als volgt kunnen samenvatten: ‘Jerevan en de Armeense’ woestijn’.
Op de hoge vruchtbare Araratvlakte (900 m) met zijn vulkanische grond, rondom de hoofdstad (1.300.000 inwoners), dus op 10 procent van het hele gebied, is meer dan de helft van de bevolking gevestigd en het grootste deel van de energieproductie (hydraulische, warmtekracht- en kerncentrales), industrieën (chemische, machine-, elektromechanische, elektronische, lichte industrieën, cementindustrie, distilleerderijen enz.) en landbouw (wijngaarden, boomgaarden, graan, suikerbieten, tabak, veevoer).
In het noordwesten werd de tweede economische pool (textiel-, voedermiddelenindustrie, steengroeven), het Artik-Sjirakgebied, dat vanwege zijn klimaat wel ‘Armeens Siberië’ wordt genoemd, door aardbevingen verwoest en de regionale hoofdstad Gumri (voormalig Leninakan), die toen 250.000 inwoners had (nu 210.000), is voor twee derde verwoest. Het bosrijke en groene Lori in het noorden is het domein van de hoge weiden en de runderteelt, maar ook van luchtvervuilende industrieën als koper- (mijnen van Alaverdi), kunstvezel- en mestindustrie, met name in Vanadzor (voormalig Kirovakan, 172.000 inwoners). Het Sevanmeer in het oosten is een gebied van toerisme en landbouw en vormt de kern van het energieproductiesysteem (waterkrachtcentrales) en het irrigatiesysteem. Het hydraulische evenwicht is door intensief gebruik verstoord (een niveauverlaging van ongeveer twintig meter). In het zuiden is de uitloper van het Zanguezoergebergte de begeerde doorgang tussen Nachitsjevan en Azerbaidzjan, een moeilijk bereikbaar en dunbevolkt gebied, dat echter molybdeen- en goudafzettingen en minerale bronnen bevat. Er wordt ook zijde geteeld.
Een te smalle, ingesloten ruimte met beperkte natuurlijke bestaansbronnen, met door min of meer vijandige buren gecontroleerde verbindings - en toevoerwegen, geïsoleerd aan de rand van de voormalige USSR door een ideologische grens die sinds 1920 het land heeft afgesneden van zijn natuurlijke economische gebied en het oude kruispunt van handelswegen in een doodlopende weg heeft veranderd: dat zijn de voornaamste kenmerken van het natuurlijke kader dat het huidige Armenië is toebedeeld. Het is bovendien kwetsbaar geworden door de bevingfrequentie van de streek. Maar er zijn ook schitterende landschappen met talrijke overblijfselen van een oude Armeense aanwezigheid: kerken, kloosters, vestingen, grafstenen; een grond die vruchtbaar is als hij wordt bevloeid en bewerkt. In vredestijd heeft het een brugpositie tussen Azië en Europa. De afhankelijkheid van een ruwe natuurlijke omgeving lijkt uiteindelijk minder zwaar dan de beperkingen van de geopolitiek. In Armenië worden identiteit en karakter bepaald door de hardnekkigheid waarmee een ruwe natuur wordt getemd - waarmee ‘brood uit stenen wordt gehaald’ zoals men schertsend zegt - en vooral door de koppigheid om te overleven in een conflictgebied dat zich nog steeds bevindt op een drievoudige grens Oost-West, Noord-Zuid, islamitisch-christelijk.
De mensen
De oorsprong en de oude geschiedenis van de Armeniërs, die zichzelf Haï en hun land Haïastan noemen, blijven duister door een gebrek aan archeologische gegevens en eigen geschreven bronnen. Het eerste millennium van hun geschiedenis, tot aan de uitvinding van het alfabet in de vijfde eeuw van onze jaartelling, is slechts bekend uit fragmentarische en elkaar tegensprekende buitenlandse bronnen.
De legende wil dat na de verwoesting van de Toren van Babel Haïk, de eponieme voorvader, zoon van Thorgom en kleinzoon van Gomer, zelf de kleinzoon van Noach, de tirannie van de Babylonische koning Bel ontvluchtte en zich met zijn stam vestigde in een vallei aan de voet van de Ararat. Haïk doodde Bel, die hem achtervolgde, en werd leider van het Armeense volk. Dit verhaal, dat de Armeniërs een prominente plaats toekent binnen de bijbelse traditie, getuigt vooral van de ouderdom van hun vestiging in een gebied met een oude beschaving.
Het is algemeen aanvaard dat de proto-Armeniërs vanaf het Balkanschiereiland Anatolië zouden zijn binnengedrongen omstreeks 1200 v.Chr., ten tijde van de inval van de ‘zeevolken’ en de Trojaanse Oorlog, en dat ze deel uitmaakten van de Thracisch-Frygische stammen die optrokken tot het midden van Klein-Azië. De Armeniërs zouden zich van die stammen hebben losgemaakt en zich tussen de zevende en de zesde eeuw geleidelijk hebben meester gemaakt van het koninkrijk Oerartoe en zijn Kaukasische bevolking hebben opgenomen. Hun aanwezigheid, onder hun exogene naam, wordt in de zesde eeuw v.Chr. zowel door Perzische (Behistoen, 521) als door Griekse bronnen (Herodotus) bevestigd.
De taal van de veroveraars werd de voertaal. Ze vormt, net als het Grieks, een onafhankelijke tak van de Indo-Europese taalfamilie, met atypische kenmerken (afwezigheid van geslacht, licht agglutinerend) die door sommige linguïsten worden toegeschreven aan een mogelijke Oerartoebasis. Ze heeft veel invloeden ondergaan - met name het antroponieme, het toponieme en het institutionele vocabularium - van het Iranees en het Aramees, de talen van de overheersende machten bij het verschijnen van de eerste politieke entiteiten; van het Grieks, en recenter van het Turks en het Russisch. De inwendige structuur van het Armeens zorgde door zijn samenhang, afleiding of leenvertaling echter voor een buitengewoon soepele woordvorming. In de vijfde eeuw werd de taal op schrift gesteld, van links naar rechts, in een alfabet van zesendertig letters, waaraan in de dertiende eeuw nog twee letters werden toegevoegd. Tot de achttiende eeuw had het klassieke Armeens (grabar) praktisch het monopolie waar het de geschreven taal betreft, hoewel het hoe langer hoe meer afweek van het gesproken Armeens. In de negentiende eeuw eindigde de strijd tussen de Ouden en de Modernen in een uitwerking van twee normen, gebaseerd op de twee voornaamste dialectgroepen (westerse en oosterse).
Uit: Claire Mouradian, Geschiedenis van Armenië, uit het Frans vertaald door Zsuzsó Pennings
(Uitgeverij Voltaire, ’s-Hertogenbosch, 2000) ISBN 90-5848-168-9

Armenië, het land en de mensen

Claire Mouradian

In september 1991, bij het uiteenvallen van het Sovjetrijk, proclameerde Armenië zijn onafhankelijkheid en werd toegelaten tot het concert der naties, waarmee het voor de zoveelste maal zijn vermogen demonstreerde om de successievelijke overheersingen van machtige mogendheden te overleven.
Na een eeuw die zo vol was van totale oorlogen en massamoorden in naam van nationale of sociale utopieën, ondanks een genocide die de helft van het volk vernietigde en de andere helft over de vijf continenten verstrooide, en in weerwil van de inkrimping van het. grondgebied en de onderwerping aan een totalitair regime is de onverzettelijkheid van dit oude volk, dat vaak wordt vergeleken met de joden, paradoxaal. Net als zijn rol, die ondanks de numerieke zwakte ongeëvenaard is, in de geschiedenis en de cultuur, in de rijken waarin het geïntegreerd werd en in de gastlanden in de diaspora.


Armenië, met zijn strategische ligging tussen Europa en Azië, op een kruispunt van handelswegen en aanvalswegen, is het voortdurende slagveld geweest van de grote rijken van het Oosten en het Westen, van tijd tot tijd onderworpen, verwoest, verdeeld, waarbij het evenwicht van de machten de enige garantie vormde voor respijt.
Geografie
In Armenië heeft, misschien nog meer dan elders, de geografie de geschiedenis bepaald en de nationale persoonlijkheid gevormd. Armenië, dat zowel een historisch en cultureel als een geografisch begrip is, versmelt met het hoogland dat dezelfde naam draagt. Het wordt gekarakteriseerd door zijn individualisme, dat in verhouding tot de andere landen van Voor-Azië heel sterk is, en door zijn binnenlandse versnippering.
Het Armeense hoogland, dat met zijn 1500 tot 1800 m hoogte uitsteekt boven de hooglanden van Anatolië en Iran, de Koeravallei in Transkaukasië en het laagland van Mesopotamië, is een bergachtige vesting van ongeveer 300.000 km2 in het oosten van Klein-Azië, tussen de Zwarte en de Kaspische Zee. Het is een groot waterbekken, want naast talrijke bergstromen vinden zeven rivieren, waaronder de Eufraat en de Tigris, die het verbinden met de oude oosterse beschavingen, en de symbolische rivier, de Araks, die de Araratvlakte van water voorziet, er hun oorsprong.
De botsing tussen de Russische en Arabische plateaus heeft het reliëf opgetild en geplooid, waardoor het een sterke bevingsfrequentie heeft. De Pontische Alpen en de Kaukasus in het noorden, de Taurusketen in het zuiden, de Koera in het oosten, de Eufraat en de Antitaurus in het westen vormen de min of meer duidelijke natuurlijke grenzen. Het hoogland, dat in stukken is gedeeld door kleine, dwarslopende bergketens en een bergrug die in een gebroken lijn van zuidwest naar zuid loopt, bevat machtige vulkanische kegelbergen, zoals de Ararat met zijn twee toppen (5172 m en 3842 m), en bergmeren, waarvan er drie een historische rol hebben gespeeld: het bijzonder zoute Oermiameer (4680 km2, op 1230 m hoogte) iets over de zuidgrens met Iran, het Vanmeer (3822 km2, 1692 m), nu in Turkije, en het zoete Sevanmeer (1416 km2, 2000 m), het enige dat zich nog op het huidige grondgebied van de republiek Armenië bevindt. Dit bergachtige eiland wordt doorkruist door twee lengteassen (het Araksbekken en de vlakten van Asjkala-Erzurum-Bayazit-Oermia), de routes van de veroveraars en de handelaren.
Bodem en klimaat - extreem continentaal, met strenge winters en hete zomers - bepalen de plantengroei en de organisatie van de landbouw: op de heuvels schapenteelt met per seizoen wisseling van weidegebieden, op de geïrrigeerde vlakten en in de valleien graan, groenten, wijngaarden en boomgaarden met beroemd fruit als abrikozen of prunus armenicus, kersen, appels, perziken en granaatappels.
Het historische Armenië
Het begrip Armenië is in de loop van de eeuwen veranderd. Het Armeense hoogland en zijn directe omgeving zijn tegenwoordig politiek verdeeld tussen Syrië, Irak, Iran, Turkije en de drie republieken van Transkaukasië: Armenië, Georgië en Azerbaidzjan. De huidige republiek Armenië, de kleinste van de voormalige USSR (29.800 km2), en Nagorno-Karabach (4400 km2), de twee laatste kernen van een homogene en permanente Armeense bevolking, zijn niet meer dan een restant, nauwelijks een tiende van wat de Armeniërs als hun historische nationale grondgebied beschouwen. Dat grondgebied kan, net als het begrip historisch nationaal, niet duidelijk en onweerlegbaar omschreven worden vanwege de onbestendigheid van de staatsgrenzen en het gelijktijdige bestaan van verschillende politieke centra met wisselende autonomie, zelfs ronder staatsvorm, in diverse perioden van een rijk en turbulent verleden.
Het gefragmenteerde gebied heeft namelijk de mogelijkheden tot communicatie, eenheid en onafhankelijkheid beperkt en het hoogland onderverdeeld in verschillende geopolitieke en culturele eenheden die heen en weer geslingerd werden tussen de uiteenlopende invloeden van de grote aangrenzende beschavingen. De verbrokkeling, veroorzaakt door een sterk regionaal particularisme dat wordt geaccentueerd door de sociale clanstructuur, georganiseerd rondom grote dynastieke families, vormt een hindernis bij het creëren van een sterke centrale macht, maar voorkomt wel dat tegelijk met de staat de natie verdwijnt, zoals in gecentraliseerde rijken als Assyrië het geval was.
Het land, dat erg toegankelijk is voor invallen vanuit het westen en vooral vanuit het oosten en dat te zeer versnipperd is om een invasie van twee kanten tegelijk te weerstaan, heeft alleen maar korte, verdeelde en verbrokkelde perioden van onafhankelijkheid gekend. Het over en weer van plaats wisselen van de bevolking en de verstrengeling van de uit oorlogen en veroveringen voortgekomen naties, de vroegtijdige diaspora en vooral de verdwijning ten gevolge van de genocide van 1915 van de Armeniërs uit Oost-Anatolië, het hart van het Armeense ‘land’, waar ze zijn vervangen door de Koerden, maken het afbakenen van het historische Armenië nog ingewikkelder.
Het conglomeraat van grondgebieden dat liep van Cappadocië tot de Kaspische Zee en van Tbilisi tot de oevers van het Oermiameer met aan de oostkust van de Middellandse Zee het excentrische aanhangsel Cilicië, dat op een zeker moment bij de Armeense staat werd gevoegd, schetst een kaart van een Armenië van negentiende-eeuwse nationalisten dat nooit als één staat heeft bestaan. In de moderne tijd is de term Armenië voornamelijk van toepassing op het land tussen het Vanmeer en het Sevanmeer, de bovenlopen van de Moerat Soe, de Eufraat, de Coruh en de Araks, dat door de Turken tot halverwege de negentiende eeuw met Ermenistan werd aangeduid en ongeveer overeenkomt met het Armenië van het Verdrag van Sèvres (augustus 1920).
Het huidige Armenië
De huidige republiek in het noordoosten van het Armeense hoogland is een miniatuur Armenië waar men, vaak in versterkte vorm, de grote fysieke en klimatologische kenmerken van het hele hoogland terugvindt waarvan het nationale bewustzijn doordrenkt is. Het gebergte (hoogste punt: de berg Aragatz (4090 m), wijkplaats en vesting, is onlosmakelijk verbonden met het beeld van het land dat voor 80 procent uit rotsachtige hoogten bestaat en waarvan de bijbelse Ararat het symbool is van het deel uitmaken van de oerwereld en het verloren paradijs: de heilige berg, die het landschap van de hoofdstad Jerevan domineert, ligt nog steeds aan de Turkse kant van de grens.
Het bergland Armenië beschikt nog maar over een deel van de Araratvlakte, de linkeroever van de depressie van de Midden-Araks. De Armeniërs situeren hier de tweede wieg van de mensheid, het land dat door Noach is gekolonialiseerd. Hier hebben ze hun eerste hoofdsteden gevestigd en in het centrum ervan ligt nu Jerevan. Omdat de ruimte zo beperkt is, is de bouwgrond schaars. De woestijn- en steppeachtige gebieden, met bruine, rotsachtige grond, overheersen. Minder dan de helft van de grond kan gebruikt worden voor landbouw, weilanden inbegrepen, maar hij moet vooraf ontsteend en verbeterd worden. De ontbossing, vooral ten tijde van de stalinistische graancampagnes, heeft de bodemerosie versneld. Nog maar 10 procent van het gebied bestaat uit bossen.
Armenië heeft geen grondstoffen en brandstoffen, ondanks de huidige exploratie van bruinkool, steenkool, gas en olie. Non-ferrometalen (koper, zink, lood, kwik, chroom, goud en zilver) en bouwsteengroeven (marmer, basalt, graniet en vooral vulkanische tufsteen, waarvan de Armeense architecten de goede bewerkbaarheid en de verscheidenheid aan kleuren hebben weten uit te buiten) vormen, met minerale bronnen (Arzni, Dzjermoek), de voornaamste rijkdommen. De middelen van bestaan en de natuurlijke omstandigheden, maar ook het Sovjetbeleid op het gebied van ruimtelijke ordening, bepalen de configuratie van de economische gebieden, die we als volgt kunnen samenvatten: ‘Jerevan en de Armeense’ woestijn’.
Op de hoge vruchtbare Araratvlakte (900 m) met zijn vulkanische grond, rondom de hoofdstad (1.300.000 inwoners), dus op 10 procent van het hele gebied, is meer dan de helft van de bevolking gevestigd en het grootste deel van de energieproductie (hydraulische, warmtekracht- en kerncentrales), industrieën (chemische, machine-, elektromechanische, elektronische, lichte industrieën, cementindustrie, distilleerderijen enz.) en landbouw (wijngaarden, boomgaarden, graan, suikerbieten, tabak, veevoer).
In het noordwesten werd de tweede economische pool (textiel-, voedermiddelenindustrie, steengroeven), het Artik-Sjirakgebied, dat vanwege zijn klimaat wel ‘Armeens Siberië’ wordt genoemd, door aardbevingen verwoest en de regionale hoofdstad Gumri (voormalig Leninakan), die toen 250.000 inwoners had (nu 210.000), is voor twee derde verwoest. Het bosrijke en groene Lori in het noorden is het domein van de hoge weiden en de runderteelt, maar ook van luchtvervuilende industrieën als koper- (mijnen van Alaverdi), kunstvezel- en mestindustrie, met name in Vanadzor (voormalig Kirovakan, 172.000 inwoners). Het Sevanmeer in het oosten is een gebied van toerisme en landbouw en vormt de kern van het energieproductiesysteem (waterkrachtcentrales) en het irrigatiesysteem. Het hydraulische evenwicht is door intensief gebruik verstoord (een niveauverlaging van ongeveer twintig meter). In het zuiden is de uitloper van het Zanguezoergebergte de begeerde doorgang tussen Nachitsjevan en Azerbaidzjan, een moeilijk bereikbaar en dunbevolkt gebied, dat echter molybdeen- en goudafzettingen en minerale bronnen bevat. Er wordt ook zijde geteeld.
Een te smalle, ingesloten ruimte met beperkte natuurlijke bestaansbronnen, met door min of meer vijandige buren gecontroleerde verbindings - en toevoerwegen, geïsoleerd aan de rand van de voormalige USSR door een ideologische grens die sinds 1920 het land heeft afgesneden van zijn natuurlijke economische gebied en het oude kruispunt van handelswegen in een doodlopende weg heeft veranderd: dat zijn de voornaamste kenmerken van het natuurlijke kader dat het huidige Armenië is toebedeeld. Het is bovendien kwetsbaar geworden door de bevingfrequentie van de streek. Maar er zijn ook schitterende landschappen met talrijke overblijfselen van een oude Armeense aanwezigheid: kerken, kloosters, vestingen, grafstenen; een grond die vruchtbaar is als hij wordt bevloeid en bewerkt. In vredestijd heeft het een brugpositie tussen Azië en Europa. De afhankelijkheid van een ruwe natuurlijke omgeving lijkt uiteindelijk minder zwaar dan de beperkingen van de geopolitiek. In Armenië worden identiteit en karakter bepaald door de hardnekkigheid waarmee een ruwe natuur wordt getemd - waarmee ‘brood uit stenen wordt gehaald’ zoals men schertsend zegt - en vooral door de koppigheid om te overleven in een conflictgebied dat zich nog steeds bevindt op een drievoudige grens Oost-West, Noord-Zuid, islamitisch-christelijk.
De mensen
De oorsprong en de oude geschiedenis van de Armeniërs, die zichzelf Haï en hun land Haïastan noemen, blijven duister door een gebrek aan archeologische gegevens en eigen geschreven bronnen. Het eerste millennium van hun geschiedenis, tot aan de uitvinding van het alfabet in de vijfde eeuw van onze jaartelling, is slechts bekend uit fragmentarische en elkaar tegensprekende buitenlandse bronnen.
De legende wil dat na de verwoesting van de Toren van Babel Haïk, de eponieme voorvader, zoon van Thorgom en kleinzoon van Gomer, zelf de kleinzoon van Noach, de tirannie van de Babylonische koning Bel ontvluchtte en zich met zijn stam vestigde in een vallei aan de voet van de Ararat. Haïk doodde Bel, die hem achtervolgde, en werd leider van het Armeense volk. Dit verhaal, dat de Armeniërs een prominente plaats toekent binnen de bijbelse traditie, getuigt vooral van de ouderdom van hun vestiging in een gebied met een oude beschaving.
Het is algemeen aanvaard dat de proto-Armeniërs vanaf het Balkanschiereiland Anatolië zouden zijn binnengedrongen omstreeks 1200 v.Chr., ten tijde van de inval van de ‘zeevolken’ en de Trojaanse Oorlog, en dat ze deel uitmaakten van de Thracisch-Frygische stammen die optrokken tot het midden van Klein-Azië. De Armeniërs zouden zich van die stammen hebben losgemaakt en zich tussen de zevende en de zesde eeuw geleidelijk hebben meester gemaakt van het koninkrijk Oerartoe en zijn Kaukasische bevolking hebben opgenomen. Hun aanwezigheid, onder hun exogene naam, wordt in de zesde eeuw v.Chr. zowel door Perzische (Behistoen, 521) als door Griekse bronnen (Herodotus) bevestigd.
De taal van de veroveraars werd de voertaal. Ze vormt, net als het Grieks, een onafhankelijke tak van de Indo-Europese taalfamilie, met atypische kenmerken (afwezigheid van geslacht, licht agglutinerend) die door sommige linguïsten worden toegeschreven aan een mogelijke Oerartoebasis. Ze heeft veel invloeden ondergaan - met name het antroponieme, het toponieme en het institutionele vocabularium - van het Iranees en het Aramees, de talen van de overheersende machten bij het verschijnen van de eerste politieke entiteiten; van het Grieks, en recenter van het Turks en het Russisch. De inwendige structuur van het Armeens zorgde door zijn samenhang, afleiding of leenvertaling echter voor een buitengewoon soepele woordvorming. In de vijfde eeuw werd de taal op schrift gesteld, van links naar rechts, in een alfabet van zesendertig letters, waaraan in de dertiende eeuw nog twee letters werden toegevoegd. Tot de achttiende eeuw had het klassieke Armeens (grabar) praktisch het monopolie waar het de geschreven taal betreft, hoewel het hoe langer hoe meer afweek van het gesproken Armeens. In de negentiende eeuw eindigde de strijd tussen de Ouden en de Modernen in een uitwerking van twee normen, gebaseerd op de twee voornaamste dialectgroepen (westerse en oosterse).
Uit: Claire Mouradian, Geschiedenis van Armenië, uit het Frans vertaald door Zsuzsó Pennings
(Uitgeverij Voltaire, ’s-Hertogenbosch, 2000) ISBN 90-5848-168-9




previous post